>> terug naar de interviews


Grunberg Follies
Het Onverwachte Interview

Hoewel gladde reclamejongens aller landen dagelijks verwoede pogingen ondernemen om ons ervan te overtuigen dat het leven vol dolle verrassingen zit, heb ik aan deze bewering nooit echt veel geloof gehecht. Als er een bord linzensoep werd opgediend op een moment dat ik daar toevallig net zin in had, vond ik dat qua dolle verrassing al vrij behoorlijk. Meer durfde ik niet te verwachten. Vorige vrijdag echter hebben er zich gebeurtenissen voorgedaan die de stelling van de reclamejongens aan geloofwaardigheid doet winnen.

Tapdans als relativerend intermezzoSamen met mijn kompaan, Pieter Viktor Kindt, was ik naar Gent getrokken om er de bekende schrijver Arnon Grunberg uit eigen werk te horen voordragen tijdens zijn show 'Grunberg Follies'. De klok sloeg achten. Een figuur wiens verschijning vage herinneringen aan de jonge Bob Dylan opriep, stapte uit de coulissen, ging op een trapje zitten en las voor. Het was het begin van een boeiende avond van voordracht, afgewisseld met filmfragmenten, tap- en buikdans.
Bij wijze van souvenir hadden we graag een paar foto's van de man genomen, maar omdat het gebruik van flitslicht in de zaal niet toegestaan was, vroegen we beleefd of het mogelijk was om na de voorstelling de auteur van dichterbij te fotograferen. Ik weet niet precies hoe het kwam -misschien lag het aan onze gebrekkige articulatie of eventueel aan ons al te ernstige voorkomen- maar blijkbaar had men ons verzoek niet goed begrepen en dacht men dat wij gerenommeerde literaire journalisten waren die een interview wensten af te nemen. Voor we het zelf goed en wel beseften, werden we een kamer binnengeleid waar de literaire wonderboy zelve ons vriendelijk stond op te wachten. Terugkrabbelen en zeggen dat we het zo niet bedoeld hadden, zou een vergissing geweest zijn.
In de kamer stonden drie stoelen, een tafeltje, een harmonicascherm en een keurig opgemaakt bed. Hier zou het gebeuren: Het Onverwachte Interview.

Grunberg, die nu al negen jaar in New York woont, wordt niet voor niks de meest interessante nieuwe schrijver van de afgelopen tien jaar genoemd. Behalve als romancier is hij ook actief als essayist, scenarist en columnist, onder andere voor Humo. Zijn boeken worden bejubeld omwille van de unieke schrijfstijl en de vaak hilarische humor. Met zijn recenter werk is hij er ook in geslaagd om zijn lezers te ontroeren. In Grunbergs trofeeënkast prijken dan ook geheel terecht de beeldjes van onder andere de Gouden Uil, de AKO-literatuurprijs en de Anton Wachterpijs.

Over het verschijnsel interviews zei Grunberg zelf: 'Wat een schrijver te zeggen heeft staat in zijn boeken. Interviews verhouden zich tot zijn werk, zoals vieze onderbroeken tot seks', maar daarvan waren wij nog niet op de hoogte toen wij hem deze inderhaast verzonnen vragen voorschotelden:


Het fenomeen van de meervoudige persoonlijkheid lijkt u te fascineren. Zo was er niet alleen uw drang om onder het pseudoniem Marek van der Jagt te publiceren, maar ook het hoofdpersonage dat u in de roman 'Gstaad 95-98' ten tonele voert, verschuilt zich achter meerdere namen. Is deze fascinatie misschien een overblijfsel van uw vroegere verlangen om acteur te worden?
Arnon Grunberg:
'Nee, eigenlijk niet. Ik ben onder dat pseudoniem beginnen publiceren omdat ik wel eens wou nagaan hoe de mensen zouden reageren op een boek dat ik geschreven had, maar dat zogenaamd van de hand van een compleet andere auteur was. Toen ben ik met de figuur van Marek van der Jagt op de proppen gekomen: een filosofiestudent uit Wenen die vroeg kaal geworden was, iemand die dus mijlenver van mezelf afstond. Ik was trouwens hoe dan ook al van plan om eens iets bij een andere uitgeverij te laten publiceren, maar in de literaire wereld wordt zoiets al snel als 'ontrouw' bestempeld, men vindt het haast erger dan overspel plegen. Een bijkomend voordeel was dat Marek zich niet bezig moest houden met publicitaire rompslomp; alles werd via e-mail geregeld.'

Was het schrijven van die eerste roman als Marek van der Jagt ook een gelegenheid om eens een andere stijl uit te proberen?
Arnon Grunberg:
'Ja, dat ook, maar uiteindelijk heeft men mij toch aan de hand van mijn schrijfstijl kunnen ontmaskeren als de eigenlijke auteur van 'De geschiedenis van mijn kaalheid'. Zoveel verschil in stijl kan er dus blijkbaar toch niet geweest zijn.'

Was dat zogenaamde 'ontmaskeren' dan geen opgezet spel, een promotiestunt? Heeft u zichzelf niet wetens en willens verraden?
Arnon Grunberg:
'Nee, ik heb Mareks ware identiteit zeker niet zelf laten uitlekken. De Nederlandse krant NRC Handelsblad heeft in Wenen een aantal dingen laten natrekken en toen bijvoorbeeld bleek er op het adres dat van der Jagt had opgegeven helemaal geen kalende filosofiestudent woonde, zijn een aantal mensen aan zijn bestaan beginnen twijfelen. Pas daarna heeft men het boek in Italië laten onderzoeken door de wiskundige Dario Benedetto en zijn team. Met behulp van de computer hebben zij de schrijfstijl geanalyseerd en vergeleken met die van zestien Nederlandse auteurs. De onderzoekers verklaarden achteraf dat mijn 'literaire DNA' zonder enige twijfel in de roman herkend kon worden.'

Een aantal critici dachten dat u ook verantwoordelijk was voor de romans van die andere mysterieuze auteur, Aristide Von Bienefeldt. Uiteindelijk bleek dat toch niet het geval te zijn. Kon u zich voorstellen dat men ook van die boeken dacht dat u ze geschreven had?
Arnon Grunberg:
'Moeilijk, want die boeken van Aristide Von Bienefeldt vind ik werkelijk heel slecht geschreven. Ik denk dat enkel zeer boosaardige mensen daarin mijn stijl meenden te kunnen herkend hebben.'

In uw boeken beschrijft u vaak crimineel gedrag op een erg neutrale manier. Christian Beck steekt met een schroevendraaier een oog van een prostituee uit, François Lepeltier vergrijpt zich aan een kind, het personage van der Jagt in 'De geschiedenis van mijn kaalheid' duwt zijn moeder een ravijn in, … Niet één keer worden daar morele vragen bij gesteld. Koestert u misschien zelf de droom om dat soort daden in de praktijk te brengen? Hebben wij iets te vrezen?
Arnon Grunberg:
'Nee, helemaal niet, alhoewel ik ervan overtuigd ben dat elke mens meer raakvlakken heeft met moordenaars en andere criminelen dan we misschien wel zouden willen. Iedereen heeft zo zijn rare, duistere kantjes. Ik vind het interessant om na te gaan hoe het komt dat sommigen de grenzen van het toelaatbare overschrijden en anderen er geen moeite mee hebben om zich fatsoenlijk te gedragen. Ik vergoelijk crimineel gedrag niet, wat ik doe is een onderzoek. Vergelijk het met wat Dostojevski gedaan heeft: ook die is nagegaan waarom iemand op een bepaald moment een ander met een bijl te lijf wil gaan. Ongeveer hetzelfde doet zich voor in mijn roman 'Gstaad 95-98':het hoofdpersonage is een kindermoordenaar, een type waarmee niemand zich normaalgesproken zou willen identificeren. En toch wou ik dat de lezer met zo'n man zou gaan meeleven. Het is natuurlijk net de kunst van de literatuur om daarin te slagen. Zoals ik al zei: als schrijver doe je een onderzoek, maar je doet geen morele uitspraken. Een schrijver is geen rechter. Maar van mij heb je dus niks te vrezen en ook van mijn lezers niet; ik heb nog nooit meegemaakt dat iemand zich door één van mijn boeken aangespoord voelde om plots grof geweld te gaan gebruiken.'

De relaties die uw personages met elkaar aangaan zijn behoorlijk onconventioneel. In 'De asielzoeker' heet het dat Christian Beck alternatieve vormen van liefde ontdekt heeft. Maar tezelfdertijd biedt u als stichter van 'de Universiteit van de Liefde' uw diensten aan als schrijver van liefdesbrieven, hoe valt dat te rijmen?
Arnon Grunberg:
'Het lijkt me logisch dat hoe minder last je hebt van het cliché van de zogenaamde 'gewone' liefde, hoe beter je in staat bent om liefdesbrieven te schrijven. Trouwens, de Universiteit van de Liefde doet meer dan dat; zo kan je ook voor haat- of dreigbrieven bij ons terecht. Ik ben overigens ook van mening dat liefdesbrieven in se niks met de liefde te maken hebben, maar wel met verleiding, en dat is iets heel anders. Iets duivels. Kijk, het personage Beck mag dan wel beweren dat hij illusieloos is en een alternatieve vorm van de liefde beoefent, uiteindelijk blijkt toch dat hij heel veel van zijn vrouw hield. Hij was immers bereid om alles voor haar te doen, zelfs om in een ménage à trois samen te leven met haar nieuwe man. Na haar dood stelt hij dan ook vast dat het leven zonder haar nog minder zin heeft dan het leven met haar. Mijn personages mogen dan wel cynisch lijken, helemaal zonder geloof zijn ze niet.'

In de literatuur worden er voortdurend zwartgallige personages opgevoerd die op een schampere manier hun miserabele levens becommentariëren. Is het volgens u dan niet mogelijk om een roman te wijden aan een volkomen gelukkige hoofdpersoon, iemand die door het leven hartelijk toegelachen wordt?
Arnon Grunberg:
'Ik ben nu bezig met een nieuw boek, een novelle eigenlijk, en daarin is het hoofdpersonage wel volkomen gelukkig. Tenminste, in het begin van het verhaal toch, want dan doet er zich toch weer een crisis voor.'

Met name…
Arnon Grunberg:
'Ik weet niet of ik dit nu wel al mag verklappen…'

U gunt ons geen primeur?
Arnon Grunberg:
'Nee, ik mag het echt nog niet verraden. Het boek ligt nog niet in de winkels. In elk geval doet er zich uiteindelijk dus toch een crisis voor, waardoor het geluk van de hoofdpersoon verstoord wordt. Ik denk dat het erg moeilijk is om een compleet boek te schrijven over iemand die alleen maar succes kent, maar misschien doe ik dat ooit toch nog wel eens.'

Als u aan een nieuwe roman werkt, bent u daar dan voortdurend mee bezig? Denkt u bijvoorbeeld tijdens het ontbijt al na over wat u die dag wil gaan schrijven?
Arnon Grunberg:
'De periodes waarin ik met nieuw werk bezig ben, zijn altijd wel vrij intens, ja. Dan ben je inderdaad voortdurend met die roman bezig, want alles wat je ziet of hoort is dan eigenlijk bruikbaar. Wat dan weer niet betekent dat alles wat ik schrijf autobiografisch is. Feitelijk worden mijn boeken steeds minder autobiografisch, maar gevoelsmatig voel ik me er wel alsmaar meer mee verbonden. Ik kan me perfect voorstellen hoe mijn personages zijn, wat ze denken en hoe ze zich voelen.'

Typisch voor uw schrijfstijl is het onderbreken van emotionele passages door korte, objectieve beschrijvingen van de omgeving. Waarom doet u dat eigenlijk?
Arnon Grunberg:
'Ik vind dat de gevoelens daardoor sterker benadrukt worden. Een boek waarin alleen maar emoties voorkomen en waarin verder niks over de omgeving gezegd wordt, zal snel kitscherig overkomen. Om wat voor emotie het ook gaat, ze wordt altijd in een bepaalde omgeving beleefd. Als iemand bijvoorbeeld iets vreselijks te horen krijgt, dan interesseert het mij ook dat de kamer waarin men hem dit nieuws vertelt bijvoorbeeld een blauw geverfd plafond heeft. De waarneming van een mens houdt nooit op. Als ik, zoals vanavond, teksten voordraag, dan doe ik dat natuurlijk niet in het luchtledige, maar in een zaal met publiek. En dan worden er bij mij ook een hele reeks gedachten in gang gezet door geluiden uit de omgeving. Als ik bijvoorbeeld een snipverkouden iemand voortdurend hoor niezen, dan zou het kunnen dat ik over mijn eigen gezondheidstoestand begin na te denken.'

U woont in New York. Heeft u het hectische van die stad nodig om te kunnen schrijven?
Arnon Grunberg:
'Nou, ik vind New York eigenlijk niet zo heel erg hectisch…'

Het dorp waar ik woon telt maar een paar honderd inwoners.
Arnon Grunberg:
'Tja, in vergelijking daarmee is New York natuurlijk wél hectisch. Maar van die drukte merk ik niet zo veel, omdat ik er een behoorlijk vaste dagindeling op nahoud. Ik sta op, ga dan ontbijten in een restaurantje in de buurt en daarna begin ik te schrijven. Hoewel ik mijn hele leven al in de stad gewoond heb en erg van steden hou, denk ik wel dat ik net zo goed in een dorp met vijfhonderd inwoners zou kunnen zitten schrijven. Alhoewel, daar heb je toch minder anonimiteit… Een beetje onpersoonlijkheid op z'n tijd vind ik wel wenselijk.'

Charles Bukowski zei ooit: ‘Take a writer away from his typewriter and all you have left is the sickness which started him writing in the first place.’ Moet een schrijver niet per definitie teleurgesteld zijn in het leven? En was u dan als 23-jarige debutant niet al op erg jeugdige leeftijd teleurgesteld in dat leven?
Arnon Grunberg:
'Het leven komt natuurlijk niet helemaal overeen wat wat men je er in school of thuis tijdens je opvoeding van voorgespiegeld heeft, maar toch zitten er volgens mij nog aardig wat rozijnen in de pap. Je moet zowel voor de miserie als voor de humor die het leven biedt oog kunnen hebben. Het vermogen om goed te kunnen relativeren hangt nauw samen met het vermogen om goed te observeren.'

Ik noemde Bukowski, maar wie zijn uw literaire idolen? Naast welke auteurs staan op de boekenplank van uw dromen de werken van Arnon Grunberg en Marek van der Jagt gerangschikt?
Arnon Grunberg:
'Ik denk dan vooral aan een paar Russische schrijvers… Toergenjev heeft prachtige kortverhalen geschreven en ook Isaak Babel vind ik erg goed. Toen ik zestien, zeventien jaar was dweepte ik nogal met de Poolse schrijver Marek Hlasko. De naam van mijn alter ego is dan ook een eerbetoon aan hem.'

Arnon Grunberg en Pk/.Tijdens de uitreiking van de AKO-literatuurprijs 2000 was u via e-mail 'aanwezig' in de zaal. U vond dat een hogere vorm van aanwezigheid dan de lijfelijke. Waarom was u vandaag dan niet via e-mail aanwezig?
Arnon Grunberg:
'Een avond als deze valt niet te vergelijken met een prijsuitreiking. Op een prijsuitreiking moét je vooral een hoop dingen doen. Je zit daar een hele avond, je komt op tv en moet netjes in je handen klappen,… Daar had ik toen helemaal geen zin in en bovendien stond ik onder tijdsdruk om een boek af te werken. Vandaar dat ik dus via e-mail 'aanwezig' was. Wat ik vandaag gedaan heb, is op voorhand volledig in scène gezet: ik weet perfect welke teksten ik wanneer ga lezen en op welk moment de dansers verschijnen. Ik was hier te gast als een soort acteur en niet als privé-persoon, dat is een groot verschil. Ze hadden heel lang aangedrongen of ik toch niet wou komen naar die prijsuitreiking. Ik heb al gemerkt dat je aan de mate waarin ze aandringen kan merken of je de prijs gewonnen hebt of niet. Dit jaar was ik, als Marek van der Jagt, weer genomineerd voor de AKO-prijs, maar het was opvallend dat ze het deze keer niet zo erg vonden dat ik niet wou komen. Ik heb die prijs toen inderdaad niet gewonnen.'(lacht)

Dat u vandaag voor de fysieke aanwezigheid geopteerd heeft, en niet voor die via e-mail, valt toe te juichen, want anders had dit interview niet kunnen plaatsvinden
.


De heer Grunberg stelde nog voor om de boeken de we bij ons hadden te signeren. En hoewel het niet van onze gewoonte is om te laten schrijven in nagelnieuwe exemplaren van boeken die we nauwelijks driemaal gelezen hebben, lieten we de man begaan. De ene hanenpoot is immers de andere niet.

's Mans jongste meesterwerk heet 'De Asielzoeker' en is uitgegeven bij Nijgh en Van Ditmar. Inburgeringscursus niet verplicht.


[sh], met de zeer gewaardeerde hulp van
[Pieter Viktor Kindt]


Foto's - © Pieter Viktor Kindt


-------------------

Dit interview werd in
in ongewijzigde vorm gepubliceerd op Urbanmag.be en in licht gewijzigde vorm in 1 Kreunkrant, jaargang 20, nr 1. (januari-februari 2004). Gratis abonnementen via www.dekreun.be en

Relevante links:

ditzelfde interview op de site van Urbanmag
Grunberg-site 1 (over 'Fantoompijn')
Grunberg-site 2 (over 'De joodse messias')

De Universiteit van de Liefde
>> terug naar de interviews