Rudy Trouvé: 'Ik streef naar gematigd succes' |
|
|
Vraag
aan de modale Belg wat hij verwacht aan te treffen in de woning van een
rockmuzikant en de kans is groot dat allerlei al dan niet legale genotsmiddelen
tot de topantwoorden zullen behoren. Rudy Trouvé (37), nog steeds een
van Belgiës meest productieve muzikanten, laat de drugs en de veelwijverij
duidelijk over aan zijn collega-rockers. Bij mijn aankomst blijkt de man
immers bezig met in gezinsverband van een met veel liefde toebereide maaltijd
te genieten. Op de vloer zit zijn dochtertje Françoise, temidden van een
onoverzichtelijke hoeveelheid speelgoed. Het is een tafereel dat ik liever
niet verstoord had; soms voel ik mij als interviewer wel wat schuldig.
En dan had ik nog niet eens deze vragen gesteld:
Op
het internet heb ik een overzicht gevonden van de groepen waar jij in
speelt of in gespeeld hebt en dat was een lijst met meer dan vijftien
namen. Hoeveel bands herinner jij je daar zelf nog van?Rudy Trouvé: De meeste kan ik me wel nog herinneren, maar in mijn jeugd heb ik ook nog in een pak bands gezeten die niet op die lijst staan en die staan mij wel veel minder helder voor de geest. Welke genres speelde je toen? Rudy Trouvé: (doodserieus) Puur lawaai meestal. En dan later lawaai, gemengd met free-jazz en funk. Wat is bij jou het criterium om van een nieuwe groep te spreken? Veelal gaat het toch om ongeveer dezelfde muzikanten? Rudy Trouvé: Ik ben echt geobsedeerd door groepsnamen, sinds mijn jeugd al. De naam is er altijd eerst: pas nadat ik een nieuwe interessante groepsnaam bedacht heb, ga ik nadenken over het genre en over welke mensen er in die groep zouden kunnen zitten. Ik spreek ook liever over 'groepen', dan over 'projecten'. Dingen zoals 110 m2 of de theatervoorstelling 'LEV' noem ik wel projecten, omdat het daar op voorhand duidelijk is dat het om éénmalige samenwerkingen gaat. Ik las iets over 'Radical Zero', alweer een nieuwe groep, deze keer met Craig Ward, Aldo Struyf en Danny Mommens. Rudy Trouvé: Ja, dat klopt; Gore Slut staat nu wat op non-actief en ik heb wel zin om eens echt harde muziek te spelen, dus heb ik maar weer een nieuwe groep opgericht. We hadden al een optreden gepland, maar dat is helaas afgelast. De andere muzikanten zijn wel iets minder enthousiast dan Craig en ikzelf, dus het kan wel zijn dat alleen wij tweeën verder gaan met die sound. De groepsnaam zal dan ook moeten veranderen, want 'Radical Zero', dat was natuurlijk met die andere mensen erbij. Die mensen zijn ook nog actief bij andere bands; hoe komt het toch dat iedereen altijd maar weer met diezelfde muzikanten wil samenspelen? Rudy Trouvé: Het is natuurlijk niet ideaal, want ieder van ons heeft zijn eigen, drukke agenda, maar vaak kan het ook niet anders. Kijk, als je achttien bent, zit zowat iedereen in een groep, maar als je zevenendertig bent, hebben veel van je leeftijdsgenoten het te druk met hun werk of hun gezin, en dus val je steeds terug op dezelfde mensen om mee samen te spelen; mensen die nog even fanatiek met muziek bezig zijn als jezelf. Vroeger bracht je jazzy nummers met Kiss My Jazz en gitaarrock met Gore Slut, maar tegenwoordig lijken de genres die je speelt veel minder duidelijk afgelijnd. Rudy Trouvé: Met het 'Rudy Trouvé Sextet' kan er veel, maar niet alles. Een chaotisch noisestuk zie ik ons bijvoorbeeld niet onmiddellijk spelen. Op de één of andere manier past dat toch niet in het concept van die groep. De opbouw van mijn platen is eigenlijk te vergelijken met de opbouw van de verzamelcassettes die ik maakte toen ik vijftien, zestien jaar was: er staan heel uiteenlopende dingen op, maar toch zie ik daar een bepaalde lijn in; een lijn die voor buitenstaanders misschien wel niet altijd even duidelijk is. De meeste van je nummers zijn autobiografisch en gaan over 'de kleine dingen des levens'. Voel je dan nooit de drang om via je teksten de luisteraars een bepaalde boodschap mee te geven, in plaats van te zingen over -ik noem maar wat- een fles melk die je in de koelkast plaatst? Rudy Trouvé: Bij die lawaaigroepen uit mijn jeugd deed ik dat dus wel; niemand van ons kon gitaar spelen en dus produceerden we maar een hoop feedback terwijl we allerlei leuzen tegen het systeem scandeerden. Het was heel naïef: zowat alle teksten gingen over moord, doodslag en verrotting. Verrotting
lijkt me best wel een interessant thema.Rudy Trouvé: (lacht) Later ben ik erachter gekomen dat zulke teksten eigenlijk helemaal geen zin hebben. Zelfs als het systeem perfect in orde was, zouden tieners er waarschijnlijk nog leuzen tegen scanderen. Kijk, het is ook zo makkelijk om bijvoorbeeld te staan roepen dat je tegen Bush bent, want zowat iedereen doet dat. Ik ben al een aantal keer gevraagd om op benefietavonden tegen de oorlog in Irak te gaan spelen, maar ik heb dat telkens geweigerd. Zonder de juiste informatie kan je volgens mij niet 100% achter zo 'n initiatief gaan staan. Ik heb geen enkele affiniteit met Bush, maar met Saddam Hoessein ook niet bepaald. Een fles melk in de ijskast wegzetten is misschien een futiel onderwerp, maar het interesseert mij wel meer dan die holle leuzen, omdat in je zo 'n nummer over alledaagse bezigheden meer sfeer en gevoel kwijt kan. Ik heb het bijvoorbeeld meegemaakt dat een vriend van mij gestorven was. Als je daar een nummer over wilt maken, is het beste wat je kan zeggen gewoon: 'Er is iemand doodgegaan. Punt'. Als je dat concreter wil uitwerken, zal je merken dat het heel moeilijk is om daar iets zinvols over te zeggen. Een gevoel van verlies kan je beter omschrijven door bijvoorbeeld te zeggen dat je in een bepaalde stemming een fles melk wegzet. Wat is dan het verschil met een tekst als 'Laat het gras maar groeien'? Wanneer wordt het belachelijk? Rudy Trouvé: Er hangt natuurlijk ook veel af van de arrangementen. Ik kan me perfect voorstellen dat als Leonard Cohen in een nummer zou zingen dat we het gras moeten laten groeien, die song zeer aangrijpend zou kunnen zijn. Alles is eigenlijk van belang: de tekst, maar ook het stemtimbre, de frasering, rijm, … Je beoefent heel veel verschillende muziekgenres, maar als schilder beperk jij je wel tot één specifieke stijl. Hoe valt dat te verklaren? Rudy Trouvé: Ik heb nog wel andere schilderstijlen uitgeprobeerd, maar het resultaat beviel me nooit; ik voelde me net een fraudeur. Er is een tijd geweest dat ik me ongelukkig voelde omdat ik altijd weer bij dezelfde taferelen terechtkwam, maar uiteindelijk heb ik me daar bij neergelegd. Wat ik op mijn zevenendertigste maak, is inderdaad net hetzelfde als wat ik maakte op achttienjarige leeftijd. Eigenlijk is dat wel bizar, want ik ben technisch best wel een goede schilder en toch kies ik voor één stijl, terwijl ik als gitarist technisch heel beperkt ben en desondanks veel verschillende genres uitprobeer. Je hebt animatie gestudeerd. Ben je van plan om ooit eens uit te pakken met een Rudy Trouvé-tekenfilm? Tom Barman heeft door 'Anyway the Wind Blows' te maken uiteindelijk ook nog iets met zijn studies aangevangen en hij heeft daar heel wat succes mee geoogst. Rudy
Trouvé: Ik zou dat wel willen; film interesseert mij enorm, maar ik
heb daar weinig tijd voor. Wij doen bijvoorbeeld ons eigen management
en daar komt een hoop papierwerk bij kijken. Ik heb nu ook een dochter
-wat natuurlijk fantastisch is- maar daardoor heb ik wel minder tijd om
al mijn plannen uit te voeren. Ik heb trouwens gemerkt dat ik in periodes
waarin ik geen vriendin heb, veel productiever ben. Niet alleen omdat
ik dan meer tijd heb, maar ook omdat ik mij zonder vriendin heel miserabel
voel en daar veel inspiratie uit kan putten natuurlijk. (lacht)Had je ooit kunnen voorspellen dat er zoveel rompslomp komt kijken bij het spelen van muziek? Rudy Trouvé: Neen, ik had daar totaal geen kijk op. Ik ben echt enorm geschrokken van al dat paperassenwerk, dat valt niet te onderschatten. Als tiener kon ik me perfect voorstellen dat een groep als The Velvet Underground in een sofa drugs ligt te gebruiken, maar niet dat ze discussiëren over de vraag of een bepaald bonnetje al dan niet van de belastingen kan worden afgetrokken. Elke band die een beetje succes begint te krijgen verandert eigenlijk in een bedrijf. Bij dEUS was dat zeker ook het geval. Ik ben uit die groep gestapt omdat ik er helemaal geen vat meer op had, het was me boven het hoofd gegroeid. We hadden op den duur een manager, een roadie, een geluidsman, een lichttechnicus, een t-shirtverkoper, … Uiteindelijk zaten er op de tourbus meer niet-groepsleden dan groepsleden. Geen succes hebben is niet interessant, maar te veel succes hebben is -voor mij althans- ook geen goede zaak. Je streeft dus naar een gematigd succes? Rudy Trouvé: Gematigd succes, ja, dat is perfect. (lacht) Wat vonden je ouders er trouwens van dat je besloot om je kost te verdienen als muzikant en schilder? Werd die beslissing toegejuicht? Rudy Trouvé: Ik moet zeggen dat de relatie met mijn ouders niet zo geweldig was toen ik thuis ben weggegaan. (lacht) Maar mijn broer was een beetje een hippie; hij is het op zijn vijftiende naar Frankrijk getrokken om daar beeldhouwer te worden, dus mijn ouders waren op dat gebied wel al iets gewoon. Wat ik wel grappig vind is dat mijn moeder, nadat ik uit dEUS was gestapt, op een familiefeestje tegen mijn zus zei: 'Nu had onze Rudy eens een job en nu stopt hij ermee'. (schatert) Een tijdje terug was je onder andere ook in Kortrijk te zien met het muziektheaterstuk 'LEV', waarin het levensverhaal van de uitvinder van de theremin uit de doeken wordt gedaan. Fascineert die man je al lang? Rudy Trouvé: Ik kende het instrument en dat fascineerde me wel, maar van Lev Sergejevitsj Termen had ik eerlijk gezegd nog nooit gehoord. Het is pas door met dat stuk bezig te zijn, dat ik geboeid ben geraakt door zijn levensverhaal, dat behoorlijk 'over the top' is. Het lijkt wel alsof het in Hollywood geschreven is. |
|
![]() |
|
Bij 'LEV', maar ook bij de soundtracks die je al gemaakt hebt, speel je ook soms muziek die wat experimenteler is. Kan je die even gemakkelijk onthouden als je meer poppy songs? Rudy Trouvé: Ik ben een tamelijk slechte muzikant, maar ik onthoud wel perfect alle details van mijn muziek, althans voor een bepaalde tijd. Als bijvoorbeeld de bassist iets anders begint te spelen dan wat hij normaal speelt, dan hoor ik dat onmiddellijk. Ik houd in mijn hoofd heel goed bij hoe alle nummers in elkaar zitten en dat lukt bij de meer experimentele stukken even vlot. Toen ik nog bij dEUS zat was dat nog niet het geval; toen friemelde ik maar wat over mijn gitaar en ik zag wel waar ik uitkwam: ik speelde telkens andere solo's, als je die zo al kon noemen. Waar ligt volgens jou het verschil tussen 'goede' en 'slechte' experimentele muziek? Rudy Trouvé: Ik ben vooral een fan van popmuziek. Ook bij avant-garde muziek zijn het altijd de poppy stukken die mij het meest aanspreken, hoewel die voor de modale popliefhebber misschien toch als een nachtmerrie kunnen klinken en niet als pop. Ik heb echt wel behoefte aan structuur: een begin, een interessant middenstuk en een slot, zowel bij popsongs als bij experimentele nummers. Heb je er nooit aan gedacht om je eigen label Heavenhotel ook open te stellen voor andere muzikanten die je goed vindt? Rudy Trouvé: We hebben dat een paar keer gedaan, onder andere met Mitsoobishy Jacson en met de eerste plaat van Daan, maar dat brengt telkens bijkomend papierwerk met zich mee. Als ik nog meer muziek van anderen op mijn label zou willen uitbrengen, dan mag ik wel stoppen met zelf muziek te maken, denk ik. Tenzij je gaat leven zoals Steve Albini: maximum vier uur per nacht slapen en maar om de twee maanden één dag vrijaf nemen. Het is een mogelijkheid. Rudy Trouvé: Het is een mogelijkheid, maar ik zou er gek van worden, denk ik. Zou je dan niet grààg meer muziek van anderen uitgeven, dingen waarvan je vindt dat ze meer aandacht verdienen? Rudy
Trouvé: Oh, zeker: er zijn een aantal mensen die vroeger in Kiss My
Jazz gezeten hebben en die nu ook nog schitterende muziek maken: Dave Robertson
bijvoorbeeld, of Mark Meyers. Dat zijn wel mensen die je bijna moet dwingen
om eens iets op te nemen, want die lijden net als ik ook ongelooflijk aan
faalangst. Maar binnenkort breng ik ondanks alles toch nog een paar cd's
van anderen uit op Heavenhotel: de debuutplaten van Franco Saint De Bakker
en van Ow, allebei groepen met Elko Blijweert.Laatste vraag: is het wel een logische keuze voor iemand die van zichzelf beweert dat hij een slechte gitarist en een matige zanger is om muzikant te worden? Rudy Trouvé: Eigenlijk niet natuurlijk, maar aan de andere kant ben ik wel altijd al gefascineerd geweest door klanken. Op mijn twaalfde had ik bijvoorbeeld al door dat de nummers die op 'Grease' stonden niet de juiste klank hadden om 'echte' roll 'n' roll te zijn. In mijn hoofd hoor ik perfect het geluid dat ik wil bereiken, maar welke noten dat dan precies zijn, dat moet ik wel elke keer opnieuw uitzoeken. Een verkeerde klank kan voor mij een nummer compleet verpesten. In de jaren tachtig zijn er bijvoorbeeld songs gemaakt die in se niet slecht zijn, maar waar ik omwille van de productie echt niet naar kan luisteren zonder gek te worden: getriggerde drums, bombastische synthesizers, … Vreselijk… En het ergste van al is dat die klanken nu plots weer heel hip geworden zijn. Vraag dat maar aan Daan! [sh] Foto's © Pieter Viktor Kindt ------------------- Dit interview werd in verkorte vorm gepubliceerd in 1 Kreunkrant, jaargang 20, nr 3. (juni-juli 2004). Gratis abonnementen via www.dekreun.be Relevante links: Rudy's Great Ideas Heavenhotel Dead Man Ray |
|